NoorderBrug

Samen Loven, Leren, Liefhebben

Historie van de Noorderkerk

Historie van de Noorderkerk

Nu de NoorderBrug-gemeente samen optrekt en kerkt in de Noorderkerk, ontstaat er naast het kennis maken met elkaar ook aandacht voor de Noorderkerk zelf.

Daarvoor gaan we terug in de tijd en zelfs tot in de 19e eeuw.

In 1834 en de jaren erna vond in Nederland de Afscheiding plaats. In tal van plaatsen ontstonden er plaatselijke gemeenten van Afgescheidenen. Zo ook in Naaldwijk in 1837. In ’s-Gravenzande was dit echter niet het geval. Wel waren er enkele gelovigen, die met de nieuwe gemeente in Naaldwijk sympathiseerden. Ouderlingen uit Naaldwijk verzorgden het huisbezoek in ’s-Gravenzande, Monster en Ter Heijde. In 1867 was deze groep zo groot geworden, dat op verzoek van twintig manslidmaten een ‘Gereformeerde Gemeente onder het Kruis’ in ’s-Gravenzande is gesticht op 18 oktober van dat jaar. De eerste predikant was ds. N. Bruininks.

Het eerste kerkgebouw heeft gestaan aan de Naaldwijkseweg 9, in een gebouw dat waarschijnlijk eerder als vlasdrogerij heeft gediend. Na enige jaren wordt het kerkgebouw in het Molenslop (nu de Pieter Heusstraat) in gebruik genomen. Dit kerkgebouw heeft tot 1904 dienst gedaan.

Op de synode van Middelburg 1869 vindt de vereniging plaats van de ‘Gereformeerde Gemeenten onder het Kruis’ en de ‘Chr. Afgescheiden Gemeenten’. De nieuwe naam is voorlopig: ‘Christelijk Gereformeerde Kerk’.

De snelle groei van de gemeente blijkt uit het feit dat er reeds in 1889 gesproken wordt over vergroting van het kerkgebouw. Deze wordt spoedig daarna uitgevoerd en kost fl. 2700,-. De firma Van Gelder uit Leiden bouwt voor fl. 1450,- een orgel, dat op 25 maart 1891 wordt gewijd met een rede naar aanleiding van Psalm 33: 1-3. Op 15 augustus 1897 wordt ds. A.H. van Minnen beroepen, die dit beroep kort daarna heeft aangenomen. Het aantal leden bedraagt dan 630. Als ds. Van Minnen op 15 februari 1938 afscheid neemt, is dit aantal toegenomen tot 1430.

Na langdurige besprekingen volgt in 1892 de samensmelting van de kerken der Afscheiding en Doleantie van 1886. In ’s-Gravenzande heeft de Doleantie weinig invloed gehad. Voor ons is de naamsverandering het belangrijkste, zoals in de notulen van 3 augustus 1892 staat vermeld: “Ingevolge het besluit van de Synode der Christelijke Gereformeerde Kerk Amsterdam 17 juni 1892 zal deze kerk voortaan de naam dragen van Gereformeerde Kerk te ’s-Gravenzande”.

Op 31 januari 1901 dienen de diakenen een voorstel in om een nieuwe kerk te bouwen. Een perceel aan de Herenstraat (nu Langestraat), groot 113,75 vierkante Rijnlandse roeden wordt aangekocht voor een bedrag van fl. 7962,50. Publieke aanbesteding volgt op 11 augustus 1902. Van de zeventien inschrijvers is H.E. Geelen te Boskoop de laagste, met een aannemingssom van fl. 29.900,- voor kerk en pastorie.

De eerstesteenlegging vindt plaats op 26 oktober 1903. Nog geen jaar later op 4 augustus 1904 wordt het nieuwe kerkgebouw, onze huidige Noorderkerk, in gebruik genomen. Verplaatsing en verbouwing van het orgel kost fl. 1060,-.

In die tijd bestond er een systeem van plaatsenverhuur. Net als in de bioscoop in die tijd zijn de goedkoopste plaatsen vooraan. Voor de duurste plaatsen zijn soms te veel liefhebbers. In zo’n geval is er verhuur bij opbod! Voetverwarming kost fl. 1,- per winter, die duurt van 1 november tot 31 maart. De stoven die hiervoor gebruikt worden, worden gestookt met zaagselgloed. Dit is één van de werkzaamheden van de koster, naast bijvoorbeeld het schoonmaken van zesendertig koperen lampen (die flink konden walmen).

Op 31 juli 1914 houdt de kerkenraad een spoedvergadering. De gemeente wordt opgeroepen tot een Gebedssamenkomst in verband met de mobilisatie. Nog enkele dagen en in Europa breekt de hel los.

Ook op kerkelijk erf is het onrustig. Diverse gemeenteleden treden uit en vergaderen na enige tijd in het veilinggebouw aan de Sand-Ambachtstraat. Op 5 april 1916 ontvangt de kerkenraad een brief dat enige leden wensen terug te keren tot de Chr. Gereformeerde Kerk.

De Classis Den Haag schrijft op 15 november 1918 een bidstond uit met het oog op een dreigende revolutie. Een dag na de wapenstilstand van 11 november 1918 die het einde van de Eerste Wereldoorlog inluidt, roept de socialist Pieter Jelles Troelstra Nederland op tot revolutie. De dreiging duurt niet lang: Pieter Jelles Troelstra vergist zich.

Te midden van deze roerige tijden wordt op 18 oktober 1917 het vijftigjarig bestaan van de gemeente feestelijk herdacht. De feestelijkheid wordt verhoogd, doordat die avond de elektrische verlichting voor het eerst brandt.

In 1922 wordt er een plan ingediend om een galerij te bouwen. Het plan wordt nader uitgewerkt en er wordt besloten om twee galerijen te bouwen met in totaal 180 zitplaatsen. De kosten bedragen fl. 6176,17 en in de loop van 1924 worden ze in gebruik genomen. Al spoedig daarna komen er klachten over wanordelijkheden op de galerijen. Ook toen zal er wel geklaagd zijn over ‘de jeugd van tegenwoordig’.

Op 2 oktober 1924 verschijnt het eerste nummer van de ‘Westlandsche kerkbode’ met als hoofdredacteur ds. A.H. van Minnen.

Nadat in 1922 al een keer een voorstel tot aanleg van centrale verwarming is verworpen, wordt in 1926 een nieuw voorstel aangenomen. De centrale verwarming is voor de gemeente een genot, echter voor de organist een extra zorg. Het orgel, waarover hij al vaker geklaagd heeft, is ten gevolge van de verwarming moeilijk te herstellen.

De kerkenraad besluit daarom een nieuw orgel aan te schaffen. De orgelcommissie brengt rapport uit. De firma Valckx, Van Kouteren en Co. te Rotterdam wordt de opdracht gegund en levert een pneumatisch orgel voor fl. 10.000,=. Het oude orgel brengt fl. 400,= op. Op 18 oktober 1927 wordt het instrument in gebruik genomen.

Een andere belangrijke kwestie is die van de plaatsenverhuur. Deze onwaardige toestand duurt in 1927 nog steeds voort. Meester Van Oosten en de heer Vonkenberg dienen een voorstel in om het systeem van vrijwillige bijdragen in te voeren. Dit wordt echter tot twee keer toe verworpen. Wel wordt in 1931 het plaatsengeld verminderd in verband met de economische achteruitgang.

In 1932 viert ds. Van Minnen zijn 40-jarig ambtsjubileum. De predikant wenst in de zorgelijke tijd geen feestvertoon, maar de kerkenraad besluit toch een sobere herdenking te houden.      Het ledental is inmiddels gestegen tot 1408. De heer J. van der Sar richt een verzoek tot de kerkenraad om uit te zien naar een tweede vergaderplaats en het aanstellen van een hulpprediker. Het zal nog enige jaren duren voordat deze wens gerealiseerd wordt. En ds. Van Minnen kan het nog wel even volhouden. Uiteindelijk in 1938 neemt hij afscheid van zijn gemeente.

Als ds. W.C. van den Brink, de opvolger van ds. Van Minnen, op 22 mei 1938 zijn intrede doet, is het kerkgebouw juist gerestaureerd en zijn de bij-lokalen uitgebreid. Het orgel, wat slecht onderhouden was, heeft onder de restauratie geleden en moet worden opgeknapt. Vanaf 26 oktober 1939 wordt ds. Van den Brink bijgestaan door kandidaat C. Moens tot april 1940.

Zondag 12 mei 1940 is het Pinksterfeest. De kerkdeuren blijven echter gesloten. Wie zal kunnen beseffen wat er omgaat in de harten van de kerkenraadsleden, die ’s middags bijeenkomen voor een bijzondere kerkenraadsvergadering? Zij besluiten, dat de gemeente (indien de omstandigheden dit toelaten) op 20 verschillende plaatsen bijeen zal komen voor de Dienst des Woords. Dinsdag 14 mei zijn enige kerkenraadsleden er getuige van dat in de pastorie de Heilige Doop wordt bediend aan het jongste kind van ds. en mevrouw Van den Brink. Aanvankelijk lijkt het, alsof het leven zijn gewone gang gaat, ook op het kerkelijk erf.

De gemeente is te groot geworden voor één predikant. Op 24 augustus arriveert ds. Van der Laan vanuit Sleen in ’s-Gravenzande. Echter de voor hem aangekochte pastorie kan hij niet betrekken, omdat deze door de Duitsers wordt gevorderd. Hij verhuist tijdelijk naar de pastorie van ds. Van den Brink.

Iedere kerkdienst kan gevaarlijk zijn, vooral als er van een predikant verwacht wordt, dat hij moet getuigen tegen onrecht of goddeloze praktijken.

De diaconie moet een lijst van collecten overleggen. Dit wordt geweigerd. De kerkenraden moeten adviezen verstrekken in allerlei principiële aangelegenheden. Er kunnen momenten zijn, dat de kerk haar plicht verzaakt, als zij zich niet met de politiek bemoeit. Ondanks veel tegenstand wordt er op 12 maart 1942 besloten een proef te nemen met het houden van kerkdiensten in het gebouwtje aan de Woutersweg, dat sinds 1925 reeds in gebruik is voor evangelisatiedoeleinden. In juni 1942 wordt ds. Van den Brink beroepen naar Heemstede. Daar er in november 1942 ongeveer 130 gemeenteleden naar Zaltbommel evacueren, wordt het beroepingswerk voorlopig gestaakt.

Misschien is 1944 wel het donkerste jaar van de Gereformeerde Kerken geweest. Er liggen diverse leergeschillen ter behandeling op de synodetafel. Naar aanleiding van haar uitspraken wordt er een gemeentevergadering belegd, waarop de gemeenteleden uitvoerig toelichting ontvangen. Het is een wonder, dat slechts één gezin zich aan het kerkverband onttrokken heeft. De schermutselingen op het kerkelijk erf moeten de bezetters welgevallig zijn geweest, want deze hadden een hekel aan de gereformeerden. Deze liepen in het verzet beslist niet achteraan. Ds. Van der Laan moet in 1944 onderduiken, omdat hij Joden hulp verleent. Zaterdag 18 november 1944 vindt er in ’s-Gravenzande een razzia plaats en worden honderden plaatsgenoten naar Amersfoort of Veenendaal gevoerd. De zondag daaropvolgend houdt ds. Masselink een preek over Jer. 31: 15 en 16. Kort daarop wordt hij gearresteerd. Tot 22 december heeft hij in ” ’t Oranjehotel” gezeten.

Na diverse predikantswisselingen in de eerste jaren na de oorlog neemt ds. Verlare uit Capelle aan de IJssel in 1950 een beroep naar ’s-Gravenzande aan. Het ledental, dat na de oorlog eerst een geringe daling toont (door evacuatie en emigratie) begint weer te stijgen. Er wordt besloten om over te gaan tot nieuwbouw aan de Naaldwijkseweg. In 1951 wordt de Zuiderkerk (ook wel de bollenschuur genoemd) in gebruik genomen. De bouwkosten door de firma Spanjersberg uit Wateringen in rekening gebracht waren fl. 110.000,=. Op herhaald verzoek van de organisten wordt het orgel in de Noorderkerk gereviseerd.

Voor koster A. Alblas is 1954 een jubileumjaar. Hij viert dan zijn 50-jarig jubileum tegelijkertijd met het 50-jarig bestaan van de Noorderkerk. Een passend feestgeschenk is de luidklok, die in de toren wordt aangebracht. Het was tevens het jaar van de overdracht van het kostersambt aan zijn opvolger Piet van der Meer.

In 1957 komen de eerste plannen voor een jeugdgebouw op de “Boerenwoning” ter sprake op een gemeentevergadering. Later groeit dit plan uit tot een kerk met bijgebouwen. In 1960 zijn de bouwplannen niet stopgezet, maar wel gewijzigd. Want een grondige restauratie van de Noorderkerk blijkt nog dringender nodig te zijn. De kosten hiervan worden aanvankelijk op fl. 150.000,=  geschat. Dit is wel zeer optimistisch bekeken, want de restauratiekosten zullen nog onrustbarend gaan stijgen tot uiteindelijk fl. 900.000,=!

De verbouwing heeft ook wel iets langer geduurd dan verwacht. De Hervormde Kerk heeft de gemeente gastvrij onderdak verschaft van augustus 1964 tot september 1966. De medewerking van de hervormde broeders en zusters is voortreffelijk geweest.

In deze tijd wordt er ook gesproken over een nieuw orgel, dat het oude orgel uit 1927 zal moeten vervangen. Op een gemeentevergadering wordt uitvoerig gesproken over restauratie van het oude of de bouw van een nieuw orgel. Ds. Minnema zorgt tijdens deze vergadering voor een verrassing, door te melden dat een gemeentelid (dat onbekend wenst te blijven) de helft van de kosten van een nieuw orgel wil betalen. De ‘grote onbekende’ schenkt fl. 42.500,= en binnen enkele weken heeft de gemeente een even groot bedrag geschonken of toegezegd. Het oude orgel brengt fl. 10.000,= op. Hiermee beschikt het orgelfonds over een bedrag van fl. 95.000,=. De firma Gebr. Van Vulpen uit Utrecht krijgt opdracht om een mechanisch orgel van 23 stemmen te leveren, dat voorjaar 1967 opgeleverd zal worden. Dat is dus ruim nadat het gerestaureerde kerkgebouw is opgeleverd. Doordat iedere zondag de leden van P.G.M.G.D.B. de gemeentezang voortreffelijk begeleiden, wordt het gemis van het orgel door menigeen nauwelijks gevoeld. P.G.M.G.D.B. is de plaatselijke christelijke muziekvereniging, die luistert naar de prachtige naam ‘Prijst God Met Geklank Der Bazuinen’.

Het aantal leden is in 1967 de 2100 gepasseerd. Dat betekent dat er binnen niet al te lange tijd naar een derde predikant moet worden uitgezien. Daarbij gaan de gedachten uit in de richting van het ‘Oudeland’. Sinds 1965 staat het kerkelijk centrum annex jeugdgebouw ‘De Kiem’. In het ‘Oudeland’ staat echter nog een gebouw, mooier en groter namelijk ‘De Brug’. Reeds in 1967 durfden vooruitstrevende personen te dromen over een tijd, dat er nog eens gemeenschappelijk avondmaal zou mogen worden gevierd.

Wat is het nu in 2019 mooi om dankbaar te mogen vaststellen, dat ruim vijftig jaar later het samengaan van de De Brug gemeente met de Noorderkerk gemeente de reden is om dit overzicht over de geschiedenis van de Noorderkerk te schrijven.

 

Maarten van Vliet ’s-Gravenzande, augustus 2019

Geraadpleegde literatuur:     Gereformeerde Kerk te ’s-Gravenzande 1867-1967,
                                                   geschreven door A. Ruiter te ’s-Gravenzande in 1967